Toespraak Burgemeester Erik Boog herdenking 4 mei 2026 Diemen

Maandag 4 mei werd de jaarlijkse herdenkingsbijeenkomst gehouden in het gemeentehuis. Burgemeester Boog hield een toespraak. De tekst van zijn toespraak vindt u hieronder.

“Wanneer de nuance verdwijnt, verdwijnt de menselijkheid”

Vanavond, net voor deze bijeenkomst, kwamen buurtbewoners in de Jan Bertsstraat bijeen. Ik sloot aan en samen stonden wij bij de daar gelegde Struikelstenen, gedenktekens met bovenop een messing plaatje. Gelegd in de stoep, ter herinnering aan Diemense inwoners die door de nazi’s uit hun huizen zijn verdreven, gedeporteerd of vermoord.

Wij stonden stil bij hun leven en bij het grote onrecht wat hen is aangedaan. Op die Struikelstenen, en ook op het Holocaustmonument in het Van Gemertplantsoen, lezen wij de namen van de Joodse familie Ruben. 

Jacob Ruben was een ambachtsman, een bontwerker. Hij was al ver voor de oorlog met zijn vrouw Sara en hun dochters uit Duitsland gevlucht — weg van de naziterreur, op zoek naar rust, naar vrede, naar een gewoon leven. Ze vonden een woning in de Jan Bertsstraat 31. 

Voor een tijd was het goed.
Ze kenden de buren. Aan de overkant, op nummer 40, woonde de familie Beck, ook gevlucht uit Duitsland, ook op zoek naar veiligheid. De families raakten bevriend. 

Gewone mensen. Een gewone straat. In Diemen.

Dan wordt het 1940. En dan zien de families de Duitse uniformen paraderen over de Hartveldseweg.

Dezelfde uniformen voor wie zij uit Duitsland waren gevlucht.

En toen kwamen de formulieren. De Joden in Diemen moesten zich melden in het raadhuis. Ze kregen een document, ondertekend door de burgemeester, waarop stond dat ze Joods waren. Een formuliertje. Zo gewoon. Zo leek het althans.

Toen kwamen de brieven. De familie Ruben moest hun huis verlaten, en verplicht in Amsterdam gaan wonen. En dat gebeurde. Maar niet voor lang.

Begin 1943 werd het bejaarde echtpaar Jacob en Sara Ruben op transport gesteld naar Westerbork. Anna Beck — de buurvrouw, de vriendin — nam afscheid van hen. Sara sprak haar moed in. Ze zei dat ze hoopte elkaar ooit weer te zien.

Later dat jaar werden Jacob en Sara, hun schoonzonen én hun dochter Erika vermoord in Sobibor.

Een andere dochter, Else, kon op tijd onderduiken in Amsterdam. Else was een gevoelige jonge vrouw. Ze schreef gedichten. Ze dook onder in een klein, benauwd pand, samen met een Joods echtpaar en hun twee jonge kinderen. 

Anna Beck — de buurvrouw van de Jan Bertsstraat — hielp hen. Ze bracht boodschappen. Ze bracht moed. Haar zoon Simon, toen nog een kleine jongen, ging vaak mee.

Dat was niet zonder gevaar. 
De Duitsers traden streng op tegen mensen die Joden hielpen.

Op een dag kwamen Anna en Simon aan bij het pand. Het was doodstil. Ze liepen naar boven. De deur was ingetrapt. Meubels lagen verspreid, gedeeltelijk kapotgeslagen. Een raam was stuk. Het gordijn waaide langzaam heen en weer in de wind.

Else was er niet meer. Het gezin met de twee kinderen was er niet meer.

Anna en Simon liepen het pand uit en staken de straat over. Voor zijn kapperszaak stond de kapper breeduit op de stoep. Hij sprak Anna aan.

“Ik heb heel vaak gezien dat u met volle tassen naar binnen ging en met lege tassen weer naar buiten kwam. Vannacht hebben ze dat gespuis weggehaald. Ik heb gezien dat ze allemaal meegenomen werden.”

Hij grijnsde.

Simon hoorde zijn moeder zachtjes vragen: “Heeft ú ze aangegeven?”
De kapper keek omhoog naar het zolderraam. Draaide zich om. En verdween zonder een woord te zeggen.

Ook Else overleefde de oorlog niet.

Het verhaal van de familie Ruben is niet alleen geschiedenis. Het is een waarschuwing.

Op 4 mei stellen we onszelf vaak de vraag: wat zou jij hebben gedaan?

Zou jij Anna Beck zijn geweest — de buurvrouw die boodschappen bracht, die risico nam, die een jonge vrouw moed insprak in een zolderkamer?

Of zou jij de kapper zijn geweest? Die geluisterd had naar de nieuwe autoriteiten en in zijn woorden “het gespuis” misschien wel had verraden.

Het is een begrijpelijke vraag. Maar misschien is het de verkeerde vraag.

Want die vraag suggereert dat de geschiedenis zich altijd zo aandient als in een film. Met een duidelijk moment van keuze. Met herkenbare schurken. 

Maar werkt het echt zo? 
Ik denk het niet. 

De kapper op die stoep was geen monster. Hij was een man met een kapperszaak, een man die elke dag gewone mensen knipte, die zijn buren kende, die misschien wel kinderen had. 

Het begon niet met verraad. Het begon met een woord.
Gespuis.

Het begon ermee, in kleine stapjes, om een groep mensen niet meer te zien als mensen. Om een individu niet meer te zien als individu. Aangejaagd door mensen die verdeeldheid en haat wilden zaaien, omdat dat in hún belang was.

Het is een belangrijke les, zeker voor de tijd waarin wij leven.

U kent de uitspraken.
Op social media. Aan de keukentafels. 
Of van leiders in Den Haag, van wereldleiders.
Soms van mensen dichtbij van wie je het niet verwacht.

Over asielzoekers, over dé Joden, over de linkse kerk, over dé moslims, over de Queer-gemeenschap, over ga zo maar door. Over “zij”. Altijd “zij”.
Woorden die hele groepen wegzetten als gevaarlijk, minderwaardig, verdacht. Woorden die we steeds normaler lijken te vinden. De grens schuift elke dag een stukje op.

De kapper in de Amsterdamse straat zei: gespuis. Hij reduceerde Else — de dichteres, de buurvrouw, de vrouw die hoopte op een rustig leven in de Jan Bertsstraat — tot een categorie. Tot een probleem. Tot iets wat verwijderd mocht worden.

Wanneer wij vandaag de dag generaliserend en feitenvrij spreken over mensen, over wie dan ook, herhalen we precies die logica.

Dit zijn geen meningen. Dit is het begin van een mechanisme.

Woorden doen ertoe.

En ja, er zijn problemen en zorgen. Daar moeten we op handelen. En ja je mag slechte daden en uitlatingen van wie dan ook veroordelen. En ja je mag, je moet, politici, leiders aanspreken op hun keuzes, op hun beleid. 

Maar hele groepen mensen over één kam scheren? Iemand zwart maken, verdacht maken, vanwege de daden van een ander? Alleen omdat diegene dezelfde achtergrond heeft? 

Nee. Wanneer de nuance verdwijnt, verdwijnt de menselijkheid.

Dit jaar vieren wij 800 jaar Diemen. 
800 jaar Diemen betekent achthonderd jaar samenleven.

Dit dorp heeft altijd mensen ontvangen. Ook mensen die nergens anders terecht konden. Mensen met een andere taal, een andere godsdienst, een andere achtergrond. Mensen die, net als Jacob en Sara Ruben, hoopten op een gewoon leven. 

In Diemen mag iedereen zich thuis voelen, mag iedereen zichzelf zijn. Dat is de ziel van ons werelddorp. 

En die ziel wordt niet vertegenwoordigd door de kapper op de stoep. Die ziel wordt vertegenwoordigd door mensen als Anna Beck. 

Door een buurvrouw die risico nam. Die zag wie er tegenover haar stond. Niet een categorie. Een mens.

Vanavond zijn we om 20 uur twee minuten stil. Herdenken wij alle slachtoffers van oorlog en strijd. Dat we dat doen, is en blijft ontzettend belangrijk. Maar het is niet genoeg.

Het begint bij hoe we over elkaar spreken, hoe we elkaar zien.

Ik roep u dan ook op: ken elkaar, blijf met elkaar in gesprek. Aan de keukentafel, op de buurtbarbecue, in de groepsapp, in de klas.

Ontmoet elkaar, zoek de verbinding.
Zie een ander als individu, als mens. Een mens met een eigen identiteit, met een eigen verhaal, met een eigen mening.

Laten we beter op onze eigen woorden letten, ook als we emotioneel zijn. En laat andermans woorden niet zomaar lopen, als grenzen worden overschreden. 

En wanneer iemand nu zegt “Hij is net zoals de rest’ of spreekt over ‘Dat gespuis’, vraag dan als eerste: Wie bedoel je eigenlijk? Welk méns zie jij?

Want dat is wat Anna deed. 
Zij zag geen categorie. Zij zag geen groep. Zij zag Else.